OVERZICHTSARTIKELEN

Pulmonale complicaties na allogene stamceltransplantatie geassocieerd met chronische graft-versus-hostziekte

NTVH - 2016, nummer 3, march 2016

drs. L.M. Morsink , drs. E.J. Nossent , dr. E.L. Meijer

Samenvatting

Pulmonale complicaties, zowel infectieus als non-infectieus van aard, zijn een frequente oorzaak van morbiditeit en mortaliteit na allogene stamceltransplantaties. In dit artikel gaan wij in op enkele met name laat optredende, niet-infectieuze pulmonale complicaties zoals het bronchiolitis-obliteranssyndroom (BOS), de cryptogene organiserende pneumonie (COP) en restrictieve (fibroserende) longziekten en beschrijven wij in hoeverre dit uitingsvormen van chronische graft-versus-hostziekte kunnen zijn aan de hand van de NIH-criteria. De klachtenpresentatie van deze entiteiten is doorgaans aspecifiek. De herkenning en uiteindelijke diagnosestelling vindt daardoor vaak pas laat plaats. Behandelmogelijkheden zijn uitermate beperkt. Er is een noodzaak tot meer translationeel onderzoek waarbij samenwerking tussen verschillende disciplines maar ook tussen verschillende centra en het nauwgezet monitoren van patiënten een belangrijke eerste stap is. Een vastomlijnd diagnostisch traject bij afwijkende bevindingen tijdens de monitoring, inclusief het zo mogelijk verkrijgen van histologisch materiaal, kan meer inzicht geven in de aard en incidentie van de verschillende entiteiten en kan uiteindelijk een platform zijn voor het initiëren van nieuwe interventiestudies.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:76–87)

Lees verder

Leeftijdsgerelateerde klonale hematopoëse ten gevolge van mutaties in genen betrokken bij DNA-methylatie en histonmodificaties

NTVH - 2016, nummer 3, march 2016

J.A.N. Groot BSc, dr. K. Klauke , prof. dr. G.A. Huls , prof. dr. G. de Haan

Samenvatting

De incidentie van hematologische maligniteiten neemt toe met de leeftijd. Omdat deze vormen van kanker geassocieerd zijn met een accumulatie van somatische mutaties over tijd, is de belangstelling in de aard, frequentie, functionele consequenties en volgorde waarin deze mutaties optreden in de afgelopen jaren sterk toegenomen. Recente studies hebben aangetoond dat verworven mutaties in verscheidene genen, met name DNMT3A, TET2 en ASXL1, geassocieerd zijn met een verhoogd risico op het ontwikkelen van verschillende hematologische kankers. Deze mutaties zijn vaak al jaren subklinisch aanwezig en gaan veelal gepaard met een klonale expansie van hematopoëtische stam- en progenitorcellen. Uiteindelijk zal dit resulteren in klonale hematopoëse waarbij een grote fractie van de perifere bloedcellen afkomstig is van een gemuteerde kloon in het beenmerg. Hoewel moderne verfijnde ‘sequencing’-technieken het mogelijk maken om risicogroepen, zoals ouderen, te screenen op deze mutaties, is het nog te vroeg om te concluderen dat dit op den duur kan leiden tot betere behandelstrategieën en prognoses.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:88–94)

Lees verder

Stamceltherapie voor het beschadigde hart

NTVH - 2016, nummer 3, march 2016

drs. M. van der Naald , drs. C.C.S. Tseng , prof. dr. P.A. Doevendans , prof. dr. S.A.J. Chamuleau

Samenvatting

Huidige therapieën voor ischemisch hartfalen zijn niet toereikend. Regeneratieve therapie is een veelbelovende strategie die zich snel heeft ontwikkeld en nu in een klinisch experimentele fase zit. Hoewel het exacte werkingsmechanisme nog niet volledig bekend is, worden reeds statistisch significante effecten gezien van stamcellen bij ischemische hartziekten. Over de klinische relevantie is echter nog geen consensus bereikt. In dit overzichtsartikel bespreken wij de rationale voor stamceltherapie. Wij richten ons op autologe beenmergcellen in de klinische setting. Tot slot geven wij een overzicht van nieuwe ontwikkelingen die in de toekomst kunnen leiden tot optimalisatie van celtherapie.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:95–100)

Lees verder

De rol van radiotherapie bij primair cutane lymfomen

NTVH - 2016, nummer 2, march 2016

dr. L.A. Daniëls , prof. dr. M.H. Vermeer , prof. dr. R. Willemze , dr. K.J. Neelis

Samenvatting

Cutane lymfomen vormen een zeldzame groep van lymfoproliferatieve aandoeningen. Primair cutane lymfomen gedragen zich vaak indolenter dan hun nodale varianten en zijn derhalve vaak lokaal te behandelen. Naast lokale corticosteroïden, lichttherapie en topicale cytostatica is radiotherapie een zeer effectieve lokale behandeling, met zeer goede lokale controle. Afhankelijk van de cutane uitgebreidheid kan worden gekozen voor lokale radiotherapie of behandeling door middel van totale huidbestraling. De bestralingsdosis is afhankelijk van de presentatie en het subtype van het lymfoom.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:40-6)

Lees verder

Gaat onze begeleiding van zwangeren met een congenitale stollingsstoornis nat?

NTVH - 2016, nummer 2, march 2016

dr. K.P.M. van Galen

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:47-8)

Lees verder

Postpartumbloedingen bij vrouwen met vonwillebrandziekte of hemofiliedraagsters in Nederland

NTVH - 2016, nummer 2, march 2016

drs. S.C.M. Stoof , drs. H.W. van Steenbergen , A. Zwagemaker , dr. Y.V. Sanders , dr. S.C. Cannegieter , dr. J.J. Duvekot , prof. dr. F.W.G. Leebeek , dr. M. Peters , dr. M.J.H.A. Kruip , prof. dr. H.J.C. Eikenboom

Samenvatting

Zwangere vrouwen met bloedingsziekten behoeven specialistische zorg om een postpartumbloeding (PPH) te voorkomen. In internationale richtlijnen wordt geadviseerd profylactisch stollingsfactorconcentraat te geven bij de partus indien stollingsfactorwaarden <0,50 IU/ml zijn in het derde trimester. De optimale dosis en duur van de behandeling is echter onbekend. Het doel van onze studie was om de uitkomsten van het huidige beleid te bestuderen bij vrouwen met vonwillebrandziekte (VWZ) of dragerschap van hemofilie. Er zijn retrospectief 185 bevallingen bij 154 vrouwen geïncludeerd tussen 2002–2011. Er is informatie verzameld over bloedverlies, kenmerken van de bloedingsziekte en obstetrische risicofactoren. De uitkomst was het optreden van primaire PPH, gedefinieerd als ≥500 ml bloedverlies binnen 24 uur postpartum en ernstige PPH als ≥1.000 ml bloedverlies. Primaire PPH trad op bij 62 bevallingen (34%), waarvan 14 (8%) resulteerden in ernstige PPH. Bij 26 bevallingen is er profylactisch stollingsfactorconcentraat gegeven, omdat de stollingsfactorwaarden <0,50 IU/ml waren in het derde trimester, waarvan er 14 (54%) resulteerden in PPH. Er bleek een verhoogd risico te zijn op primaire PPH bij bevallingen die profylactisch stollingsfactorconcentraat kregen in vergelijking met bevallingen zonder profylactische behandeling (OR 2,7, 95%-BI 1,2–6,3). Concluderend was de primaire PPH-incidentie het hoogste bij bevallingen met de laagste stollingsfactorwaarden in het derde trimester, ondanks profylactische toediening van stollingsfactoren. Op dit moment is de specialistische zorg van vrouwen met bloedingsziekten onvoldoende gezien de hoge incidentie van PPH. Verdere studies zijn nodig om het bevallingsbeleid te optimaliseren in deze patiëntenpopulatie.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:49–56)

Lees verder

Trombotische trombocytopenische purpura: nieuwe therapeutische ontwikkelingen

NTVH - 2016, nummer 1, january 2016

dr. R. Fijnheer , prof. dr. J. Voorberg , dr. C. Maas

Samenvatting

Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) ontstaat door een tekort aan ADAMTS13. Dit enzym knipt lange vonwillebrandfactor (VWF)-polymeren in kleinere stukjes waardoor deze minder trombogeen worden. TTP is een auto-immuunziekte waarbij antistoffen worden gemaakt die ADAMTS13 neutraliseren. De huidige therapie bestaat uit hoge dosis steroïden en intensieve plasmaferese. De overleving is hiermee sterk verbeterd, al is de mortaliteit nog steeds rond 15%. Bovendien is er nog steeds een kans van ongeveer 50% op een recidief. De hoge kosten van het benodigde plasma, hoge kans op recidief en aanzienlijke mortaliteit maakt dat er behoefte is aan nieuwe therapie. De bindingsplaatsen van patiëntantistoffen op ADAMTS13 zijn recentelijk in kaart gebracht. Ook is duidelijk geworden op welke wijze VWF-polymeren door ADAMTS13 worden geknipt. Naast ADAMTS13 kunnen VWF-polymeren ook worden geknipt door plasmine. Op het gebied van de behandeling van TTP is er een drietal nieuwe aangrijpingspunten: 1) depletie van CD20-positieve B-cellen door rituximab, 2) VWF-remmende antistoffen (caplacizumab), 3) therapeutische enzymen (ADAMTS13, plasmine). Rituximab en caplacizumab zijn duidelijk het verst in ontwikkeling. Voor rituximab ontbreekt echter fase 3-onderzoek, voor caplacizumab start dat binnenkort. De ontwikkeling van ADAMTS13 en plasmine bevindt zich nog in een preklinisch stadium.

(NED TIJDSCHR HEMATOL 2016;13:18–24)

Lees verder
X